Dutch verbs 51-99

Type in the past participle of each verb
Quiz by Fastertortoise
Rate:
Last updated: December 12, 2018
First submittedJuly 20, 2018
Times taken17
Average score79.6%
Report this quizReport
15:00
Enter answer here
0
 / 49 guessed
The quiz is paused. You have remaining.
Scoring
You scored / = %
This beats or equals % of test takers also scored 100%
The average score is
Your high score is
Your fastest time is
Keep scrolling down for answers and more stats ...
Verb
English
geleerd
Leren
Learn
geleerd
Voorstellen
Introduce
voorgesteld
Spreken
Speak
gesproken
Vertellen
Tell
verteld
Slapen
Sleep
geslapen
Stellen
To put
gesteld
Groeien
Grow
gegroeid
Gebruiken
To use
gebruikt
Verwachten
To expect
verwacht
Betekenen
To mean
betekend
Betalen
Pay
betaald
Vormen
Form
gevormd
Kopen
Buy
gekocht
Tellen
Count
geteld
Zorgen
To worry
gezorgd
Bieden
Offer
geboden
Verkopen
Sell
verkocht
Volgen
Follow
gevolgd
Trekken
Pull
getrokken
Bepalen
Determine
bepaald
Zoeken
Search
gezocht
Leggen
To place/lay
gelegd
Schrijven
Write
geschreven
Beperken
To limit
beperkt
Gelden
To be valid
gegolden
Leiden
To lead
geleid
Bedragen
To amount to
bedragen
Wachten
Wait
gewacht
Plaatsen
To place/lay
geplaatst
Plannen
To plan
gepland
Starten*
To start
gestart
Proberen
To attempt
geprobeerd
Voeren
To feed
gevoerd
Bouwen
Build
gebouwd
Kiezen
Choose
gekozen
Voorzien
To foresee
voorzien
Betrekken
Involve
betrokken
Helpen
Help
geholpen
Bezoeken
Visit
bezocht
Leveren
Deliver
geleverd
Antwoorden
To answer
geantwoord
Noemen*
To call/name
genoemd
Heten
To be called
geheten
Veranderen*
To change
veranderd
Vertrouwen
To rely
vertrouwd
Stijgen*
Rise
gestegen
Bezitten
Own/possess
bezeten
Voelen
To feel
gevoeld
Ontstaan
Originate
onstaan
No comments yet